Naar de Eleos website
ambulante zorg deeltijdbehandeling preventie & dienstverlening
 

Ik ben een brus

Hoi, ik ben een brus. Zegt dat woord je wat? Ik ben namelijk de zus van een bijzondere broer. Misschien ben jij ook wel een brus… en kunnen we met elkaar praten. Lees even verder, want het kan belangrijk zijn voor jou!

Br-us
Ik zal wat vertellen over hoe het is om een brus te zijn. Het woord brus komt van de samenvoeging van broer - zus. Blijkbaar is er iets met het brus zijn. Want vroeger hoorde je er nooit over, maar nu steeds vaker. Toch waren er vroeger ook brussen. Maar er was toen nog bijna geen aandacht voor. Nu wel, en dat is nodig!

Aandacht en zorg
Brussen hebben iets gemeenschappelijks. Ze hebben allemaal een broer of zus die ‘iets’ heeft. ‘Iets’ waardoor deze broer of zus meer aandacht en zorg krijgt dan de andere gezinsleden. De andere gezinsleden krijgen dús minder aandacht. Dat klinkt misschien logisch, maar als je erover nadenkt, is dat best ingrijpend. Want het is meestal niet voor een bepaalde periode, maar voor je hele jeugd!

Gezinssituatie
Het maakt wel uit hoe je gezinssituatie is. Hoe oud ben je zelf, en is je broer of zus die ‘iets’ heeft jonger of ouder? Misschien is je broer of zus in werkelijkheid ouder, maar gedraagt hij of zij zich op een bepaald moment jonger dan jij. Heb je twee ouders die zich in kunnen zetten voor de extra zorg? Loopt dat allemaal goed, of zijn er voortdurend spanningen? Moet je vaak meehelpen thuis? Kun jij je verhaal kwijt, bij je ouders of bij vrienden? Of heb je het gevoel dat je juist een luisterend oor moet zijn voor (één van je) ouders, of dat je ze moet ‘ontzien’ omdat ze al zoveel zorgen hebben? Heb je meer broers en zussen, en kun je je gevoelens met hen delen? Waarschijnlijk herken je hier wel wat in. Ik zal vertellen hoe het bij mij ging. Lees even verder.

Bijzonder gezin
Niet altijd is aan de buitenkant te zien dat je broer of zus ‘anders’ is. Het is ook niet altijd meteen duidelijk dát er wat is. Mijn broer was al 15 toen zijn gedrag een naam kreeg. Dat maakte alles wel anders zeg. Daarvoor was hij altijd ‘lastig en druk’, ‘eigenwijs’, ‘moeilijk’, enz. Eigenlijk vond iedereen het maar een vervelend joch. En zelf vond ik dat óók vaak. Want alles draaide om hem. Het was altijd spannend, als we bijvoorbeeld weggingen, hoe hij zich zou gedragen. Wat hij allemaal uit zou halen, en hoe wij dat weer op moesten vangen. Eigenlijk draaide het hele gezinsleven om hem. Nooit waren wij een ‘gewoon gezin’. Ik heb daar heel vaak van gebaald. Want ík werd er ook op aangekeken. O, dat is die zus van… nou, dan weet je het wel… We kónden ook niet eens overal heen, en soms moesten we eerder naar huis dan de planning was, omdat mijn broer problemen veroorzaakte. Ook als we zelf visite kregen, of als er vriendinnen meekwamen, zaten we in spanning hoe het zou gaan. Dat lieten we niet altijd merken, maar het wás er wel. Altijd.

Gevoelens...
Soms werd ik hier heel boos om. Soms ook heel verdrietig. Vaak had ik ook vragen, over het waarom. Of was ik bang dat ik ook zo zou kunnen worden. Zou het erfelijk zijn? Met mijn ouders wilde ik er niet over praten, die hadden al zoveel aan hun hoofd. En met mijn vriendinnen wilde ik er ook niet altijd over praten. Zij wisten er trouwens niet eens allemaal van, en dat wilde ik zo houden. Want dan kon ik tenminste nog érgens gewoon vrolijk zijn, en onbezorgd. Ik wilde er ook niet over praten, omdat ik me eigenlijk schaamde dát mijn broer zo was. Vaak stopte ik mijn gevoel ook weg. Ik was erg bang dat ik een aansteller gevonden zou worden. Of dat ik ook ‘aandacht wilde hebben’. Mijn vader en moeder zeiden vaak dat ik ook aan God mocht vertellen dat ik me vaak verdrietig en boos voelde. Soms deed ik dat ook wel, maar soms wilde ik dat ook helemaal niet, omdat ik dacht: het helpt toch niet.

Schuldig
En vaak voelde ik me ook schuldig. Want het was toch mijn broer. En het was voor hem ook niet leuk dat hij zo was. Hij had eigenlijk geen vrienden. En het gebeurde zó vaak dat mensen kwaad op hem waren. En dat deed dan ook bij mij zeer. Dat gunde ik hem niet! Ik had dan echt medelijden met hem. Naar anderen toe had ik ook vaak het gevoel dat ik het voor hem op moest nemen. Bovendien was hij soms ook best grappig en dan moesten we allemaal weer om hem lachen. Eigenlijk was het allemaal heel dubbel wat ik voelde. Ik voelde me vaak ook machteloos. Want ik wilde hem wel helpen, maar hoe? Wat kon ik voor hem doen, wat dan ook nog goed uit zou pakken?

Mijn rol
Het was niet altijd makkelijk om met mijn broer om te gaan. Soms kon hij echt het bloed onder je nagels vandaan halen. Met name mijn moeder had daar best wel eens moeite mee. Ik had dan vaak het gevoel dat ik haar moest helpen. Dat ik naast haar moest staan om mijn broer te corrigeren. Dat voelde heel dubbel: ik had dan het idee dat ik mijn vader als het ware moest vervangen. Mijn vader had een drukke baan, en zat daarnaast in allerlei besturen. Daardoor was hij bijna nooit thuis. Maar tegelijk was ik toch óók hun kind? En een zús van mijn broer, toch niet zijn ouder? Als ik er nu over nadenk, snap ik het wel, maar voel ik me daardoor toch ook wel een beetje tekort gedaan. Maar dat heb ik nooit aan mijn ouders laten merken. Het zou het voor mijn moeder, en ook voor mijn vader, nog zwaarder maken.

Diagnose
Toen mijn broer naar het voortgezet onderwijs ging, was dat eigenlijk het begin van een andere periode. Misschien vind je het gek, maar mijn ouders en ik hebben toen gemerkt dat God ons gebed toch heeft gehoord, ook al waren niet meteen alle problemen opgelost. Er werd op die school op een andere manier naar mijn broer gekeken en dat was eerst heel gek. Vanuit school werd contact opgenomen met mijn ouders, nu niet om over hem te klagen, maar omdat ze dachten dat er wat met hem was. Toen begon het balletje te rollen. In die tijd draaide écht alles om hem. Er werd zowat dagelijks over hem gepraat, hij moest dan naar die deskundige, dan naar die arts, testen doen, enz. Uiteindelijk is toen de diagnose gesteld. Het ‘iets’ van mijn broer kreeg een naam: PDD-NOS, een aan autisme verwante stoornis.

Informatie en … erkenning
En toen veranderde er eigenlijk heel veel. Nadat de diagnose was gesteld, kregen we als gezin informatie over wat er nou precies met hem aan de hand was, en waarom hij zo reageerde. Ik vond dat best een heel heftige tijd. Toen pas begon ik heel veel dingen te herkennen en te begrijpen. We kregen ook adviezen over hoe we met hem om moesten gaan. In ons gezin is best veel veranderd toen we wisten hóé belangrijk het was om bepaalde dingen consequent te handhaven. Naar de buitenwereld veranderde er ook wat. Toen we wisten wat mijn broer had, konden we dat vertellen als we ergens heen gingen, bijvoorbeeld naar familie of kennissen. Dat was overigens niet altijd makkelijk hoor, juist omdat je niets aan hem ziet. Je moet dan nogal eens over een drempel om uit te leggen dat er toch iets met hem is. Door de informatie die wij gekregen hebben konden we het wel duidelijker maken. Mijn broer is zelf ook veranderd. Dat zijn gedrag een naam heeft, heeft daar zeker aan meegewerkt. Verder merk ik dat de structuur in ons gezin echt heel goed voor hem is. Hij is rustiger, minder moeilijk en minder ‘onberekenbaar’ voor ons.

Nu, en straks…
Wat deed dit allemaal met mij? Nadat de situatie rond mijn broer wat rustiger was geworden, kreeg ik het zelf heel moeilijk. Ik besefte toen pas welke invloed mijn broer altijd op ons gezin had gehad, en met welke gevolgen. Voor ons als gezin, maar ook voor mezelf. Ik denk dat ik heel anders opgegroeid zou zijn als mijn broer gewoon was geweest. Of als het eerder onderkend was. Ik voel me wel eens schuldig dat ik dit denk, maar die gedachte ís er wel.
Vaak dacht (en denk) ik ook aan de toekomst. Zal mijn broer ooit zonder de zorg van mijn ouders kunnen? Hoe moet het later als zij er niet meer zijn? Hij blijft natuurlijk mijn broer, dus ik zal hem nooit in de steek kunnen laten. Ik durf hier met niemand over te praten. Ik denk dat je zelf een brus moet zijn om dit écht te kunnen begrijpen.

Lotgenoten
In het begin gaf ik aan dat we misschien wel zouden kunnen praten. Want misschien ben jij ook een brus. En misschien loop jij ook met allerlei gevoelens. En misschien kun jij die ook niet echt kwijt. En heb je óók wel eens het gevoel er bijna in te stikken.
Eigenlijk zijn we dan dus lotgenoten. En moeten we contact zoeken. Zodat we met elkaar over onze gevoelens kunnen praten. En die herkennen. Misschien kunnen we elkaar tips geven over hoe je iets het beste kunt doen, of ergens mee om moet gaan. Want niemand anders dan jij weet hoe het is om een broer of zus te hebben die ‘iets’ heeft. En niemand anders dan jij weet hoe moeilijk het soms kan zijn om brus te zijn ván die broer/ zus. Wat dat allemaal voor gevolgen kan hebben. We kunnen elkaar helpen!

Contact?
Waar ben jij? Hoe komen we in contact met elkaar?
Dat kan bijvoorbeeld via deze site. Zoals ik in het begin al zei, komt er steeds meer aandacht voor brussen. Dat is belangrijk. En het is nodig. Er komt heel veel op brussen af, en dat moet erkend worden. Gelukkig gebeurt dat ook steeds meer. Toch belanden brussen soms in de hulpverlening, omdat ze vastlopen in allerlei gevoelens waar ze geen raad mee weten.

Mail met andere brussen
Eleos wil brussen helpen! Zij geven hulp aan je broer of zus, maar werken ook preventief met brussen om problemen bij hen te voorkomen. Zo organiseren ze activiteiten om brussen met elkaar in contact te brengen (lotgenotencontact), informatie te geven en mogelijkheden om gevoelens bespreekbaar te maken. Je ook een mailtje sturen naar brussen@eleos.nl
. Je krijgt dan van ons een lijst met e-mailadressen van andere brussen zodat jullie zelf contact kunnen zoeken. Doe mee, want brussen hebben elkaar nodig!